CoMa.nl

Verhalen van het schrijversduo Co & Ma

Passage

Ik zag haar op het station. Ze leek een vrouw als anderen. Haar jas droeg ze onder haar arm. Net zoals ik, vermoedde ze dat het koud zou blijven. Misschien was mijn lichaam nog warm van het dekbed of de douche en voelde het ten opzichte daarvan kouder dan het daadwerkelijk was. Toch hoopte haar outfit op zomer. De nonchalance van een spijkerbroek en strak hemdje suggereert dat het haar niet interesseert hoe anderen haar bekijken. Dat ze niet doorheeft hoe mooi ze werkelijk is. Met lange bruine haren. Wellicht vindt ze haar borsten te klein. Onder haar hemdje lieten contouren van een strakke bh zich duidelijk zien. De stof trok in haar huid, waardoor een hobbel ontstond op haar anderszins zo gave huid. Ze keek vooruit, zoekend naar de trein die haar weg zou brengen. Weg van hier. Vroeger reisde ze met een koffer, zodat haar shirtjes netjes opgevouwen bleven. De sporttas die ze droeg deed mij vermoeden dat ze snel vertrokken was. Geen tijd om na te denken over de eindbestemming. Ze ging niet op vakantie en voetbalt ook niet bij TKB.

Ze verdween uit mijn zicht terwijl ik de restauratie binnenstapte. Ik had koffie nodig, al betwijfelde ik of mijn maag dat aan zou kunnen. Het is mijn ontbijt van de laatste weken. Drie kopjes senseo en een lege maag. Het is eigenlijk geen koffie. Wanneer mijn darmen met aan diaree grenzende ontlasting aangeven dat ik toch echt moet eten, smeer ik voor iedere bak koffie een boterham met pindakaas. Maar vanochtend bleek dat de Calvé gister al opgegaan was. Inventarisproblematiek heb ik systematisch. Boodschappen doe ik dan ook iedere dag, omdat ik voorraden pas aanvul als deze opgebruikt zijn. Aan droog brood gedoopt in koffie ben ik nog niet gewend, dus kon ik niet eten. Gebrek aan energie deed mijn armen trillen. Mijn lichaam voelde verlaten.

“Wil je een sigaret?” Ik trok een sigaret van zijn plaats zodat deze uitnodigend uit het pakje stak en reikte haar mijn hand. Ze keek om en moest even kijken voordat een beleefde glimlach verscheen. Blijdschap kon ik er niet in vinden.
“Jij was toch zo tegen roken?” vroeg ze terwijl ze de sigaret aannam.
“Nu het niet meer mag, is het interessant geworden”, zei ik. De aansteker hield ik in de lucht om haar vuur te geven. Maar ze pakte hem uit mijn hand.
“Dat kan ook de enige manier zijn waarop jij iets doet. Hier, dankjewel.”
“En na de seks is ie toch ook wel lekker. Weet niet of dat ligt aan de nicotine of dat het mij de gelegenheid geeft op adem te komen. Om lekker te roken moet ik rustig inhaleren, anders stijgt ie naar mijn hoofd.”
“Heb je weer een vriendin?”
“Zo wil ik het niet noemen. Maar verliefd ben ik wel.”
“Dan heb je een vriendin. Dat weet je misschien nog niet, maar zij zal dat zo vinden. Zeker als jullie al geneukt hebben. Je bent een man, je begrijpt dat niet. Net als God. Zolang je niet dood bent, zal je het nooit begrijpen.”
“Okee, dat neem ik dan van je aan. Ik zou het ook niet erg vinden als ze wel mijn vriendin zou zijn. En jij?”
“Nee.” Ze nam een diepe hijs. “Niet meer. Maar mijn trein gaat zo. Doei.” De halve sigaret gooide ze op het spoor. Ik had het beter over de dure tabak kunnen hebben. Of de regen.

De man naast me rook naar zweet en las het NRC die een ander achter had gelaten. Het economische katern lag er nog. En ik vroeg me af hoeveel minder omzet er in de globalisering zou worden gemaakt als er geen koffie zou bestaan. Mijn koffie was klein, terwijl dezelfde hoeveelheid vroeger normaal was. Een wolkje marketing en twee schepjes inflatie graag. Op mijn broodje zat meer sladressing dan zalm, maar dat zal dan wel weer het neusje zijn.

Aan de buitenkant op het raam zat een vliegje. Hij liep rond zoals de fruitvliegjes doen over de klokhuizen in de mok op mijn bureau. Ik probeerde hem weg te jagen, maar vanwege de dubbele beglazing merkte hij niets van mijn getik. Hoe lang zou hij kunnen blijven zitten als de trein eenmaal honderdveertig kilometer per uur reed?

Ik haalde mijn portemonnee uit mijn achterzak en liet de conducteur mijn kaartje zien. Hij was de enige in de trein met een functie. Alle andere mensen waren decor. Onbekende stinkende mannen werden figurant en oude bekenden niet meer dan passant. De personages in het boek dat ik las waren werkelijker dan de echte mensen. Ik praatte niet tegen hen en zij spraken mij niet tegen.

Zijn vleugeltjes wapperden langzaam sneller. Plots was hij weg. Niets meer dan een passant.

« »

© 2019 CoMa.nl. Thema door Anders Norén.